Waar? Wie weet - Wanneer? Onmogelijk te ontdekkenHet duister omhult alles om me heen, een dikke deken die geen enkele vorm in de kamer, ik denk tenminste dat het een kamer is, laat zien. Het enige dat ik hoor is gedruppel, ergens rechts van mij lekt er iets, waardoor dikke druppels om de zoveel tijd op de grond vallen. Ik weet dat ze op de grond vallen, omdat de spetters af en toe op mijn huid belanden. Dan besef ik dat ik wel naakt moet zijn, hoe anders kunnen de druppels mijn blote huid raken. Een verontrustend idee, zeker wanneer ik besef dat het gedruppel niet echt het enige geluid is dat ik kan horen. Geschraap, alsof er iets beweegt in de kamer, en heel af en toe een kuchje. Ze lijken wel menselijk te zijn, die kuchjes, en dat vind ik veel erger dan het niet weten waar ik ben en wat er gaat gebeuren.
Tot nu toe heb ik steeds een schreeuw weten te onderdrukken, maar wanneer ik eindelijk doorsla en mijn mond wil openen om te gillen besef ik dat ook dit niet gaat. Mijn mond is afgeplakt, onbeweegbaar. Mijn lippen kunnen niet verder van elkaar dan een centimeter. Kreunend en gillend tegen de tape begin ik te spartelen om rechtop te komen. Dan ontdek ik dat ook mijn handen en benen zijn vastgetapet. Harder en harder schreeuw ik tegen de binnenkant van de tape, om plotseling weer stil te vallen wanneer ik al mijn energie heb gebruikt. Nu hoor ik ook geschreeuw om me heen, al is het niet echt geschreeuw maar het zelfde "verstopte" geluid als ik had geproduceerd. Ik was hier niet alleen, er waren er meer zoals ik!
Mijn ogen branden nu, en ik knijp ze wanhopig dicht om mezelf te beschermen tegen de felheid van het licht. Met gezoem kwamen heel plotseling de rij tl-lampen boven me tot leven. Ze gooien een ongenadig, hard licht over wat nu daadwerkelijk een kamer blijkt te zijn. Uiteindelijk durf ik mijn ogen weer te openen, langzaam gewend aan het felle licht. Ik wens echter al meteen dat ik dat niet had gedaan. Met ogen dicht hier liggen was beter dan de waarheid beseffen. Overal om me heen liggen mensen. Naakt, kwetsbaar, en vastgebonden. Net zoals ik. Sommigen zijn helemaal opgekruld, proberend om hun naaktheid te beschermen tegen de starende ogen van anderen die al rechtop zijn gaan zitten en vechten tegen de tape.
Ik merk dat ik me niet schaam voor mijn naaktheid. Wie kan er nou denken aan naakt zijn wanneer ze het gruwelijke tafereel zien dat zich voor hen afspeelt?! De tranen liepen nu vrijelijk over mijn wangen toen ik omhoog keek naar het plafond. Grote ijzeren haken waren daar bevestigd tussen de tl-lampen in. Grote, scherpe haken, waaraan anderen waren opgehangen. Andere mensen, zoals wij hier allemaal. Hun voeten waren doorboord, bevestigd aan de haken waardoor ze nu, met gestrekte armen, ophingen. Het moest wel zijn gebeurd voordat ze stierven, besefte ik, want de wonden hadden hevig gebloed. Ergens was ik echter wel jaloers op hen. Zij hoefden zich geen zorgen meer te maken over wat er met hen ging gebeuren. En zij hadden kleding. Er hingen 7 mensen aan het plafond, allemaal bewegingsloos, maar allemaal gekleed. Sommigen droegen zelfs meerdere lagen kleding voor zover ik vanuit mijn ligplaats kon zien.
Ik kan mijn ogen er niet vanaf houden, van de mensen op de haken. Totdat ik besef dat de druppels water die ik tot dan toe had gedacht te voelen geen water waren. Rechts van mij hing een lange kerel, zijn armen raakten bijna de vloer, en uit zijn mond drupte om de zoveel tijd bloed op de vloer. Toen ik naar beneden keek, en de rode waas over mijn huid zag, besefte ik dat het zijn bloed was dat over me heen had gespetterd. Geen water. Bloed. Spartelend vocht ik nu des te harder tegen mijn boeien, totdat ik opeens merkte dat mijn polsen vrij waren. Mijn gevecht had de tape dusdanig los gemaakt dat ik hem nu af kon doen. Zo snel als ik kon haalde ik vervolgens ook de tape van mijn enkels en daarna, met veel pijn, van mijn mond. Ik besef dat ik moet opschieten, iets in mij zegt me dat ik zo snel moet werken als ik kan. Ik haast me naar de dichtsbijzijnde, levende persoon. Zijn boeien zijn snel genoeg losgemaakt, en nu kunnen we met zijn tweeën de anderen helpen. Uiteindelijk is iedereen losgemaakt, en staan we doelloos in het midden van de kamer. Sommigen proberen wanhopig zichzelf te bedekken, anderen zijn zelfs niet eens opgestaan. Dan hoor ik de stem. Die vreselijke stem.
"Ah, ik zie dat jullie eindelijk eens zijn opgestaan, luierdjes van me! Wat fijn dat het spelletje eindelijk kan beginnen! En alhoewel ik hoop dat jullie het spelletje leuk gaan vinden, weet ik wel dat dat niet zo is. Want het gaat pijn doen. IK ga jullie... heel... veel.... pijn doen. Maar eerst stel ik voor dat jullie je aankleden... oh... en de sleutel vinden, want in deze kamer blijven is ook niet alles, toch? En ach, als jullie diep, heel diep graven, vinden jullie de sleutel vast wel! Ik zie jullie later wel weer, dood of levend!" De woorden weergalmden nog even door de kamer, gevolgd door gelach dat me zou bijblijven tot ik stierf. En mocht ik die stem geloven zou dat waarschijnlijk niet heel lang meer zijn. Toen ik om me heen keek, op zoek naar kleding, besefte ik pas dat iedereen naar mij keek. Alsof ik de leider was, alsof ik wist wat ik deed. Ik kon niet praten, ik wist de woorden niet die ik moest zeggen om dit misverstand op te lossen. En toch bewogen mijn lippen, alsof ik er zelf geen controle over had.
"Ik weet niet wat er hier gebeurd, ik weet niet wie dit doet. Maar laten we maar doen wat hij zegt. We moeten samen blijven, dan zijn we het sterkst, dus hebben we een leider nodig. Jullie schijnen te denken dat ik dat ben. Dat is prima. Dan luister naar wat ik zeg: Hij zei dat we ons moeten aankleden, maar kleding ligt er niet. Ik denk dat hij bedoelt dat we de kleren van die doden af moeten halen. En een sleutel zoeken. Dat moet dan maar." sprak ik.
Het klonk zelfverzekerd, slim zelfs. En ik begreep dat ze nu wachtten totdat ik de eerste stap zou doen. De eerste stap om de kleding te pakken van de mensen die aan het plafond hingen. De kleding te pakken van lijken. Dapper stapte ik af op een van de vrouwen die op was gehangen. Ze was ongeveer mijn maat, en haar blonde haar was op veel plaatsen rood gekleurd van het bloed dat omlaag was gelekt. Ook de kleding was vuil, maar nog steeds beter dan geen kleding. Aarzelend stak in mijn hand uit, onwetend over hoe ik dit ging aanpakken, en of ik dit wel aandurfde. Het meisje had een vest aan, over een shirt. Dat zou ik zonder veel moeite wel uit moeten kunnen krijgen bedacht ik.
Mijn aanraking lokte echter een reactie uit. In een wervelwind van bewegen begon het meisje te spartelen, op en neer zwaaiend aan de haken in haar voeten. Haar gegil ging door merg en been, ze was niet dood geweest, alleen buiten bewustzijn. De pijn was hoorbaar in elk geluid dat ze uitbracht. Mijn eerste instinct was om haar vast te pakken, om haar op te tillen zodat niet haar volle gewicht aan haar doorboorde voeten zou hangen. Die keuze zou me duur komen te staan. In haar paniek klauwde het meisje om zich heen, haar ogen dichtgekoekt met aangedroogd bloed. Haar nagels haalden de huid op mijn wang open, voordat haar handen grip kregen op mijn gezicht. Ik wilde wel loslaten, maar mijn arm was klem komen te zitten onder de riem die ze op haar broek droeg. Nu begon ook ik te gillen terwijl het meisje probeerde zoveel mogelijk naar mijn gezicht te krabben. Niemand deed iets om te helpen, in shock dat dit gebeurde. Het laatste dat ik me herinner was het gevoel van brand in mijn ogen toen de vingers van het meisje zich diep naar binnen boorden. Ik herinner me nog dat ik het haar niet eens kwalijk kon nemen, dat ik het haar vergaf voordat ik ineenzakte op de grond.
"DOE NOU IETS! DOE IETS HELP HAAR DOE IETS OH MIJN GOD DOE IETS!" gilde Kaatje, die zelf ook geen actie durfde te ondernemen. Toen eindelijk iemand naar voren sprong om hun "leider" te helpen was het al te laat. Zowel het meisje aan de haken als de vrouw die hen had gered waren nu compleet bewegingsloos en duidelijk echt dood. De man die in beweging was gekomen draaide zich om en haalde zijn schouders op. Niemand van hen wist wat ze moesten doen, niemand durfde meer te bewegen. "Wie moet ons nu leiden, we gaan toch wel samen blijven he?! We hebben toch een leider nodig?!" sprak iemand anders uit de groep, waarna iedereen rumoerig door elkaar heen begon te praten.
Er werd besloten eerst allemaal te stemmen op degene die zij als leider wilde, voordat ze verder iets zouden doen. Maar hoe kon je nou een leider kiezen zonder dat je ook maar iemand kende, en zonder dat je ook maar iets had om je te bedekken?
De eerste dag zal zich strekken over de periode dat jullie in deze kamer zitten, en bespreken wie jullie als leider willen. De dapperen mogen zich eraan wagen om al wat kleding te bemachtigen. Niemand kan echter nog weg uit de kamer, de ontsnapping zal in de nacht aan bod komen. Amuseer je dus maar lekker de eerste dag even, naakt, tussen de doden

.
Voor de nieuwelingen: De eerste "dag" stemmen we voor een burgemeester. Verwerk in je verhaaltje je stem door de naam van het karakter van degene op wie je wilt stemmen erin te zetten. Deze naam moet je dik drukken en een kleurtje geven zodat hij lekker opvalt.
Veel succes!